25.06.18

Een taaldieet als sleutel tot gezond ouder worden?

By Anna Pot

Anna Pot | Promovenda aan de afdeling Toegepaste Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen | e-mail: a.pot@rug.nl

Het kunnen spreken van meerdere talen heeft veel praktische voordelen. Misschien het voornaamste is wel het kunnen spreken met meerdere personen en onderlinge verstaanbaarheid, maar in het verlengde daarvan ook het aan kunnen gaan van een groter sociaal netwerk. Daarnaast wijst onderzoek uit dat het spreken of leren van verschillende talen ook invloed kan hebben op de gezondheid, met name van het brein. In een wereld waarin we met zijn allen steeds langer leven, maar lang niet allemaal ‘gezond’ ouder worden (denk aan ziekten, zoals dementie, of sociale problemen zoals eenzaamheid en depressie), is een taalkundig dieet misschien zo gek nog niet!

Elders (bijvoorbeeld door Adesope et al., 2010) wordt al goed uitgelegd hoe een cognitief voordeel voor meertaligheid er ongeveer uitziet: door het wisselen tussen talen, en het daarbij onderdrukken van een van de talen (competitie) ‘train’ je als het ware je brein. Er is alleen nog veel onderzoek nodig om uit te zoeken hoe dit precies werkt. We weten nog niet veel over de cognitieve mechanismen die worden getraind bij meertaligheid en hoe deze positieve effecten vervolgens doorwerken in meer algemene cognitieve processen. Bovendien is het zo dat in verschillende meertalige omgevingen vaak verschillende effecten gevonden worden.

Nederland is daarbij een interessant land om onder de loep te nemen. In Nederland worden, naast het Nederlands, tal van talen en dialecten gesproken. Zo is de tweede officiële taal in Nederland het Fries, wat in de noordelijke provincie Friesland wordt gesproken. Het Limburgs in het zuiden van Nederland en het Twents in het oosten zijn naast het Fries als officiële tweede taal grote dialectgroepen. Daarnaast hoor je in verschillende gebieden veel Turks, Arabisch, Papiaments, Chinees, enzovoort. Op school leren kinderen standaard Engels, Frans en Duits en overal om je heen hoor en zie je veel Engels, geschreven en gesproken. Er zijn heel veel manieren waarop iemand twee- of meertalig kan zijn. Sommige mensen hebben een andere moedertaal, en leren het Nederlands op school, of pas op latere leeftijd. Anderen spreken alleen het Nederlands maar verstaan daarnaast best wel heel aardig een tv-programma in het Duits, bijvoorbeeld.

Maar hoe zou – met zulke uiteenlopende vormen van meertaligheid – een taalkundig dieet er dan uit moeten zien om voordelen op te kunnen leveren? Om deze vraag te beantwoorden is het handig om te kijken naar hoe taal wordt gebruikt. Doordat dit tussen groepen maar ook tussen individuen zoveel verschilt, is er veel variatie in de mate waarop men cognitieve voordelen vindt voor meertaligen. Vandaar ook dat bijna nooit hetzelfde effect gevonden wordt in verschillende gebieden. Verschillende groepen meertaligen verschillen niet alleen in de talen die ze spreken, maar ook in de mate waarop ze dat doen, en in omgevings-afhankelijke factoren: moeten ze veel wisselen tussen talen, gebeurt dit vaak automatisch of niet, horen ze de talen die ze beheersen veel om zich heen of juist niet, maar ook de houding ten opzichte van de verschillende talen; spreken ze deze talen graag, wordt er op een bepaalde taal neergekeken, spreken ze hun talen in hele specifieke situaties?

Wanneer de verschijningsvormen van meertaligheid zo talrijk zijn, is het misschien aannemelijker dat het gebruik van verschillende talen, en niet zozeer het kennen/kunnen ervan, leidt tot positieve veranderingen in het brein. Dit is dan ook wat verschillende studies en hypotheses laten zien (zie bijvoorbeeld de Adaptive Control Hypothesis door Green & Abutalebi, 2013 of Yow et al., 2015). Doordat taal intrinsiek een communicatiemiddel is en altijd wordt gebruikt in een bepaalde context, is het belangrijk om ook naar die context te kijken wanneer we proberen cognitieve voordelen aan meertaligheid te koppelen en te snappen.

Daarom is het juist interessant om binnen een grotere meertalige groep te kijken naar onderlinge verschillen in het gebruik van verschillende talen. Dit heb ik gedaan in mijn onderzoek, waarvoor ongeveer 400 mensen, woonachtig in de drie noordelijke provincies in Nederland (Friesland, Groningen en Drenthe) uitgebreid informatie hebben gegeven over de talen die ze spreken, met wie en hoe vaak. Daarnaast verzamelde ik informatie over hun wisselgedrag tussen talen, houding ten opzichte van verschillende talen, en andere informatie zoals hun gezondheidstoestand, welzijn, en persoonlijkheid.

In mijn onderzoek komt bijvoorbeeld naar voren dat mensen beter zijn in het richten van hun aandacht en het negeren van irrelevante informatie (in een cognitieve taak) wanneer ze ook aangaven hun talen in verschillende contexten te gebruiken, en wisselden tussen talen al naar gelang de context. Dit komt overeen met het idee dat wanneer je bewust moet wisselen tussen talen, bijvoorbeeld in een omgeving waar beide talen gesproken worden maar niet even goed door iedereen worden begrepen, je extra op moet letten wanneer je de ene taal en wanneer je de andere taal kunt gebruiken. Je bent je dan dus erg bewust van je taalkundige omgeving en besteedt hier extra aandacht aan. Dit is anders in een omgeving waarbij het niet uitmaakt in welke taal je spreekt, omdat je gesprekspartners beide talen even goed beheersen. Hier hoef je dan minder aandacht te besteden aan het selecteren van de juiste taal en gebruik van de andere taal moet vermijden. Hetzelfde geldt voor een complete eentalige context, waarbij de oren ook niet extra gespitst hoeven te zijn op veranderingen in de talige omgeving. Dit is het idee achter de Adaptive Control Hypothesis van Abutalebi en Green, en onze bevindingen komen hier aardig mee overeen.

Nu onderzochten we dit in een heel specifieke meertalige omgeving, met talen en dialecten die (soms) veel op elkaar lijken, en waar, in een bepaald gebied (Friesland), ook mensen die het Fries niet spreken toch makkelijk wat Fries om zich heen kunnen horen. De omgeving waarin mensen communiceren, kortom, is waarschijnlijk ook van grote invloed op de manier waarop mensen hun talen gebruiken (zie ook het onderzoek van Kousaie et al. (2014), naar een- en meertaligen in Quebec en Ottawa, waar blootstelling aan een eentalige of meertalige omgeving een betere voorspeller was voor cognitieve effecten dan meertaligheid zelf).

Een meertalige omgeving zou dus een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een effectief taalkundig dieet, maar dat dieet verschilt van persoon tot persoon. Dit stimuleert niet alleen het brein, maar het maakt de communicatie tussen mensen ook een stuk kleurrijker! Alleen al om die reden zou men het gebruik van en het leren van verschillende talen moeten stimuleren.


About the author

Anna Pot

Anna Pot is currently completing her PhD dissertation at the Department of Applied Linguistics at the University of Groningen in the Netherlands. Her research project is centred around multilingual aging, focusing both on cognitive and social aspects. Within this project, she has looked at both the effect of multilingualism on cognition, as well as investigated how a group of older adult migrants age in an L2 environment that differs from their mother tongue. Her research interests include language development across the lifespan, language and migration and second language acquisition.

BlogAll posts

04.07.18

Languages and penalties

When I was speaking last June in Entebbe, Uganda, at the Congress of the Society of More

19.06.18

‘Where do you come from?’: UN World Refugee Day

Wednesday, 20th of June, is the United Nations’ (UN) World Refugee Day, which was established in More

20.05.18

The Sima effect

Why different questions produce different answers (not only in bilingualism research) I don’t know how many More

11.04.18

Gubitak i njegovanje jezika u porodicama migranata

Blog za UN-ov Međunarodni dan migranata, 18. decembra ‘Nemoj govoriti na našem jeziku kad dođeš po More